Op stap met Yusef, op zoek naar Hermans

Door Freddy de Vree

De Thalys komt tot stilstand in Paris Nord. Het is net na elfen in de morgen, de lucht is blauw en meisjes om ons heen praten sexy Frans. Ik versta er geen woord van, maar Yusef, mijn gids, vertaalt alles voor mij. Volgens hem willen alle vrouwen met ons naar bed.

Yusef. Hij is Marokkaan, hij is betrouwbaar en hij is Hermans-kenner: volgend jaar verschijnt van zijn hand De ongeautoriseerde biografie van W.F. Hermans. Niet bij de Bezige Bij. Noch bij het Willem Frederik Hermans Instituut. ‘Die gaan al de officiële biografie uitgeven. Misschien geef ik mijn boek wel in eigen beheer uit.’ Yusef kijkt trots. ‘Zoals Hermans zijn Mandarijnen op Zwavelzuur.’

We zijn in Parijs, omdat ik ben gevraagd een verhaal te schrijven over Hermans en omdat Parijs een prachtige stad is. We hadden ook naar Voorburg of Groningen kunnen gaan, plaatsen waar de schrijver ook heeft gewoond. Of naar Brussel, maar ‘Parijs is dé stad van Hermans,’ volgens zijn officieuze biograaf. ‘En in Voorburg, Groningen en Brussel is geen ruk te beleven. Dat zijn dorpjes vergeleken met Parijs! Niemendalletjes!’ Aldus Yusef, wiens motto is: ‘Ik heb altijd gelijk, want ik ben de biograaf van Hermans.’

Van 1973 tot en met 1991 heeft Willem Frederik Hermans in Parijs gewoond. Eerst aan de Rue Théodule Ribot, later aan de Avenue Niel, op een steenworpafstand van de Arc de Triomphe. In de trein liet Yusef me foto’s zien: Hermans rokend in zijn woonkamer; Hermans zwaaiend uit zijn raam; Hermans met een kat in zijn armen. Collector’s items, volgens Yusef. ‘Gestolen uit het letterkundig museum in Den Haag. Ik heb ook typmachines, fototoestellen, brillen, sigaretten, een regenjas van Pierre Cardin, een opgezette kat, en…’ Yusef haalde een enveloppe uit zijn leren jas. ‘Een ongepubliceerde novelle.’

We nemen de metro op Gare du Nord en reizen naar Boulevard St-Germain. Bovengekomen weet mijn gids meteen waar we naartoe moeten. Hij steekt zonder uit te kijken de drukke boulevard over; auto’s remmen en taxi’s toeteren, maar Yusef heeft er geen erg in. Hij heeft goud geroken. Met grote passen loopt hij naar een café. Als hij ervoor staat, en ik uithijg, zegt hij: ‘Dit is Brasserie Lipp. Vroeger een artiestencafé. Hermans heeft hier gezeten.’ Yusef laat een respectvolle stilte vallen en gaat dan verder: ‘Hermans dronk graag Suze, een helgeel drankje in een speciaal geblazen kelkje.’ Yusef legt zijn arm om mijn schouder. ‘Zullen we zo naar binnen gaan?’ Zó, denk ik. Waarom niet meteen? Maar Yusef is nog aan het genieten van de voorgevel van Brasserie Lipp. ‘Eigenlijk zouden we onze schoenen uit moeten doen, zoals in de moskee,’ zegt hij als we naar binnen gaan.

Als we aan een tafeltje zitten, bestelt mijn gids een Suze voor mij en een flesje Perrier voor zichzelf. ‘Dus… aan deze tafel zou Hermans hebben kunnen gezeten,’ zeg ik.

Yusef legt zijn handen op de tafel en wrijft ermee over het tafelblad. Dan pakt hij de asbak vast, nee, hij beroert de asbak, hij laat zijn vingers erin rondgaan. ‘Deze asbak heeft misschien de as van Hermans mogen opvangen,’ zegt hij plechtig en steekt de asbak in zijn zak. ‘Voor in het archief.’ We drinken onze drankjes op, bespreken het plan voor de middag, en verlaten dan het café met een asbak, een menukaart en een kapstok. Het middagplan is om het appartement aan de Avenue Niel te bezoeken. Yusef wil de werkkamer van Hermans zien. De plek waar hij brieven schreef aan Nederland. De plek waar hij heeft geschreven aan de romans Onder professoren, Uit talloos veel miljoenen, Een heilige van de Horlogerie en Au Pair. Dé plek.

Nummer 86, Avenue Niel, is een statig pand in een statig stadskwartier. Op het bordje, rechts van de deur, staat met cursieve, chique letters Psychiatre. We bellen aan. Er gebeurt niets. We bellen nog een keer aan, ditmaal houdt Yusef zijn duim een halve minuut op de deurbel. Boven ons schiet een venster open. Een vrouw steekt haar hoofd uit het raam. Maar in plaats van dat ze begint te zwaaien, zoals Hermans op de foto, begint ze in het Frans tegen ons te roepen, nee, te schreeuwen.

‘Wat zegt ze?’ vraag ik aan mijn gids.

‘Dat ze met ons naar bed wil,’ zegt Yusef.

Als de vrouw ziet dat we geen aanstalten maken om weg te gaan pakt ze een vaas uit de vensterbank. Ze richt, eerst op Yusef, dan op mij. Ik weet niet hoe snel ik me uit de voeten moet maken. Mijn gids blijft staan en roept iets in het Frans naar de vrouw. Ik versta de naam van Hermans. De vaas valt. Even gaan mijn ogen dicht en denk ik aan de krantenkop: ‘Biograaf sterft voor huis van schrijver na val van vaas.’ Maar als ik mijn ogen weer open, zie ik Yusef voor de deur staan, met om hem heen de scherven van de vaas. Hij raapt ze één voor één op en steekt ze in zijn leren jas.

Tien minuten later staan we in een gereedschapswinkel. Mijn gids doet het woord. De verkoper krijgt een grijns op zijn gezicht en loopt naar achteren. Ik begrijp er niets van. Yusef zegt tegen mij: ‘Het doel heiligt de middelen.’ Dan komt de verkoper tevoorschijn. Hij heeft twee grote hakbijlen in zijn handen. ‘Excellent,’ zegt Yusef. ‘Excellent, monsieur.’ Ik zeg niets, ik krijg een bijl in mijn handen gedrukt.

Buiten kijken mensen ons aan, maar Yusef trekt zich daar niks van aan. ‘In 1988,’ zegt hij onverstoorbaar, ‘was een Utrechtse psychopaat de woning van Hermans binnengestormd. Hij had een bijl in zijn handen en heeft Hermans blijvend letsel aan zijn rechterarm toegebracht. Zijn vrouw liep hoofdwonden op. En wij! Wij laten ons zomaar wegjagen door een Algerijnse schoonmaakster!’ Mijn gids schudt zijn hoofd. ‘Zo werkt het natuurlijk niet. Zo waar ik Yusef heet en de officieuze biograaf ben van Nederlands grootste schrijver.’

Ditmaal gaat de deur meteen open als we aanbellen. Van de schoonmaakster is geen spoor te bekennen. We lopen voorzichtig naar binnen en komen in een deftige hal met een marmeren vloer. Yusef doet zijn schoenen uit. Ik doe hetzelfde, want op straat had hij al gedreigd mij een kopje kleiner te maken als ik niet mee zou gaan naar de Avenue Niel.

‘Ik wil naar huis,’ had ik gezegd. ‘Ik ga niet met een hakbijl voor een huis staan.’

Yusef leek een moment te veranderen in een extreemfundamentalist wiens heilige doel was om het appartement van Hermans binnen te komen. Maar twee tellen later omarmde hij bijna een boom. ‘Dit is de boom die op de achterkant van de eerste druk van Onder professoren staat! Hermans heeft zijn linkerhand in zijn zak en rookt een sigaret. Dat is hier!’ Even dacht ik dat hij de boom zou omhakken en mee naar huis zou nemen, maar we liepen door naar de Avenue Niel, nummer 86.

En zo sluipen we op onze sokken en met een bijl in onze rechterhand door de hal van het huis waar Hermans ooit heeft gewoond. Ik verwacht dat elk moment de schoonmaakster de trap af kan komen, maar het is alsof het huis is uitgestorven. Alleen de ziel van Hermans spookt hier wellicht nog rond.

Er staat een deur op een kier. Yusef trekt de deur langzaam verder open en gaat de kamer binnen. Ik volg hem. We komen in een groot, ruim vertrek. Het is donker en stil, en even denk ik dat we alleen zijn, maar dan voel ik de ogen van een vreemde op mij. Het is alsof we gadegeslagen worden door een gevaarlijk dier, maar voor ons zit – onbeweeglijk – een man achter een bureau. Hij heeft een wit gezicht, een enorme gladgeschoren onderkaak en een verbazingwekkend hoog voorhoofd. De psychiater. Hij kijkt naar onze hakbijlen, dan naar onze sokken. Misschien zijn we al die tijd niet op zoek geweest naar het appartement van Hermans, misschien is dit eigenlijk het enige wat we hebben gewild: een psychiater. We leggen onze bijlen op de grond en gaan aan de andere kant van het bureau zitten.