|
|
|
|---|---|
Uit: DE GROTE KERSTBALLENROOF Gisteravond hadden we de kinderboerderij bezocht. Verdwaald waren we niet. We kwamen er wel vaker, meestal tegen het einde van de Ramadan. ‘Gaan we een geit halen?’ vroeg Mo’tje. ‘Nee, een kalkoen,’ zei Casablanca Farid. Voorzichtig openden we de stal met het pluimvee. Er lagen tientallen vogels met hun kop in hun veren te slapen. ‘Welke is het?’ fluisterde Casablanca Farid. Geen van ons wist hoe kalkoenen er levend uit zagen. Uiteindelijk moest ik een vogel aanwijzen, want ik had ze vroeger gezien in de slagerij van mijn vader, toen hij nog twee handen had. Speedy Adil haalde zijn vlindermes tevoorschijn. ‘Je moet hem wel halal slachten,’ zei Mo’tje. ‘Anders eet mijn familie er niet van.’ Nog voordat Speedy Adil bij de kalkoen neerhurkte, was het dier wakker geworden en weggerend. Adil sprintte er achter aan, kriskras de stal door, bijna sneller dan het zicht. Stro en stof wervelde op. Maar hij kreeg ’m niet te pakken. ‘Ik geef op,’ hijgde Adil na een paar minuten. ‘Ik kan niet rennen met mijn jas aan.’ De leren jas van Speedy Adil woog zeker vijf kilo. Ik weet niet wat hij er allemaal in had zitten. Autoradio’s? Playstations? ‘Geef mij die jas maar,’ zei ik. Adil moest het tenslotte doen. Hij was de snelste van ons vier. Met tegenzin trok Speedy Adil zijn jas uit en begon weer te rennen. Uiteindelijk heb ik de kalkoen gevangen. Door er van een afstand de jas van Adil overheen te gooien. Het beest was op slag dood. ‘Mijn jas!’ riep Adil, ‘mijn jas!’ ‘Hou je bek!’ fluisterde Casablanca Farid. ‘Je maakt alle dieren wakker.’ ‘Ze zijn al wakker.’ Er vlogen meer veren rond dan tijdens een kussengevecht. Kippen, pauwen, kalkoenen en ganzen renden de stal rond. We lieten een oorverdovend gekakel en gekwetter achter. |
|